Slider

Langs de Maas, in Nederasselt, staat een groot bord: passantenplaatsen. Passantenplaatsen zijn er overal aan de rivieren. Het zijn plekken waar schepen, boten elkaar kunnen passeren zonder in botsing te komen. Ik vind het wel een interessant woord, in deze tijden van corona. Onze dagen zitten vol van passantenplaatsen: in de winkel, op straat, in de hal van de kerk, op de dijk. We blijven even stilstaan, hebben een korte ontmoeting, willen niet in botsing komen, we schuiven langs elkaar en vervolgen onze weg.

Het valt me op, in deze weken, dat er tijdens de ontmoetingen op die passantenplaatsen zoveel gebeurt. Eigenlijk veel meer dan anders. Het lijkt wel, alsof we meer geïnteresseerd zijn in elkaar. We zijn ook goed in communiceren. Heel goed weten we – ook in beeldvergaderingen - te vertellen wat er goed gaat (de gezondheid, de kinderen, het tijdverdrijf) en wat er niet zo goed gaat (iemand in je omgeving gestorven aan corona, kinderen die zich vervelen; geen werk meer, schoondochter werkt in de zorg op een afdeling met corona). Passantenplaatsen zijn plaatsen van intensieve ontmoeting.

Twee leerlingen zijn onderweg, van Jeruzalem naar Emmaus. Weg uit Jeruzalem, waar al die ellende zich afspeelde de afgelopen dagen. Ze zijn daarover in gesprek als er een vreemdeling bij hen komt lopen. (hier gaat de vergelijking met deze tijd natuurlijk een beetje mank, want wij zouden nu onmiddellijk vragen of deze vreemdeling afstand wil houden, maar vooruit). De leerlingen herkennen hem niet. Hun ogen worden verhinderd hem te herkennen, staat ver. de vreemdeling lijkt niet te weten wat zich in Jeruzalem heeft afgespeeld. Ben jij dan de enige vreemdeling, die niet weet wat er gebeurd is? Het lijkt een beetje op die astronauten die onlangs weer terugkeerden op aarde na een lange periode op het ISS-station. Ze wisten er wel van, maar hadden het allemaal niet meegemaakt.

Ik denk dat we voor de coronatijd minder van elkaar wisten. dat we elkaar misschien passeerden zonder elkaar te zien. Dat onze ogen misschien verhinderd werden om elkaars verhalen te herkennen. Weliswaar zijn we oprecht geïnteresseerd, maar toch, misschien liepen we doelgerichter door het leven en hadden minder aandacht voor wie we tegenkwamen en voor elkaars verhalen. Waren we de vreemdeling die niet wist wat er aan de hand was.
Als de leerlingen aandringen blijft de vreemdeling eten en neemt zelfs de rol van gastheer op zich. Hij brak het brood en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.
Het is dat ene ontroerende moment, dat we in Jezus God herkennen, en dan weer verdergaan.

De Tjechische theoloog Tomáš Halík zegt dat je door je levenservaring bijbelverhalen anders leert verstaan. Ik denk dat we in deze weken allemaal zeer intensieve levenservaringen opdoen, die ons hoe dan ook anders in het dagelijks leven doen staan. We kunnen daardoor ook iets meer van God ontdekken. Zo leren we bijvoorbeeld deze dagen dat we, net als de schrijver Petrus uit de tweede lezing, uit de zinloosheid zijn verlost en onze hoop op God kunnen stellen.

Als we op die passantenplaatsen zijn horen we elkaars verhalen. Dan brandt ons hart heel even. Als je wilt kun je horen wie iemand is en hoe zij of hij dagelijks leeft. Je proeft de spanning die er thuis kan hangen met meer schoolgaande kinderen. Als er geen studeerkamer is en alleen een klein flatje, is het huis gauw vol, vooral als papa of mama ook nog eens moeten beeldbellen. En zij herkenden Hem.

Je hoort de hunkering aan contact, als iemand van de fiets stapt of tijdens een wandeling aanhoudt en vertelt over de afgelopen dagen, alleen. Dapper doorgebracht, dat wel. Zij herkenden Hem.

En die vrijwilligster, die huizen bezoekt, iets brengt, aanbelt, veel telefoneert, op zoek naar praktische leefbaarheid. En zij herkenden hem.

Of de verhalen over de onbereikbare zieken en doden, het verdriet, het verlangen. En dan zijn er ook nog de onuitgesproken emoties, die we bij elkaar vermoeden. En zij herkenden Hem.
In september 2015 zei paus Franciscus tijdens een viering in Madison Square Garden in New York: "Dat Jezus door onze straten blijft gaan, zich op een vitale manier met zijn volk blijft mengen en mensen in een unieke heilsgeschiedenis blijft engageren, vervult ons met hoop – hoop die bevrijdt van de krachten die ons willen isoleren en ons ongeïnteresseerd maken voor het leven van de anderen, voor het leven van onze stad.

Het is een tekst voor vandaag.

Op de passantenplaatsen, in de straten, in de wijken en de steden, in het beeldbellen, mengt Jezus zich in de verhalen van de mensen. Hij bevrijdt ons van de virus-krachten die ons isoleren. Hij mengt zich, doordat we niet meer ongeïnteresseerd zijn in elkaar, maar in onze ontmoetingen elkaar en God kunnen herkennen. Dan brandt ons hart. Vandaag breekt hij niet letterlijk het brood met ons, maar geeft ons aan elkaar, geeft ons de verhalen, als wij die van elkaar willen horen. En zij herkenden Hem.

Het is geen blijvende vanzelfsprekendheid. Op het moment dat je Hem herkent, verdwijnt Hij uit je gezicht. We zongen straks in de woorden van Huub Oosterhuis, even is het waar en dan is het weg. Toon mij niet vergeefs wat mijn ziel verlangt, Geef dat ik volhard in uw vergezicht.

Dat het ons dat gegeven mag zijn. Dat we elkaar horen en ontmoeten op onze passantenplaatsen. Dat we ons laten raken, elkaar herkennen en ons hart gaat branden. En dat we heel even het gezicht van de Levende onder ons zien, voordat het weer verdwijnt. Zodat we kunnen volharden in ons leven. in onze hoop, in ons verlangen.

De Ontmoetingskerk   Meijhorst 7033  •  6537 EP  Nijmegen   024-344 14 46  ( secretariaat )