v-7.jpg
Lezingen: Genesis 22,1-2.9a.10-13.15-18, Marcus 9, 2-10

Waar zijn velen van ons toch allemaal druk mee? Het lijkt wel alsof onze status wordt verhoogd naarmate onze agenda voller is.

Want hoe voller de agenda, hoe meer we de idee hebben dat we echt leven, dat we ertoe doen. In mijn werk ervaar ik regelmatig dat het moeilijk is om alle afspraken gepland te krijgen, quasi-gekweld ben ik en heimelijk trots: kijk eens hoe druk ik ben! Soms, al doorbladerend in mijn agenda, of ‘doorklikkend’ moet ik tegenwoordig zeggen, stel ik aan mijn gesprekspartners voor om de afspraak dan maar te zetten op ‘zondag na de hoogmis’. Vooral in het gezelschap van mensen die dan hoegenaamd niets hebben met het geloof, stel ik het graag voor; altijd benieuwd naar de reacties. Meestal wordt er gelachen, waarschijnlijk gedacht: die rare katholiek, maar nooit zegt er eens iemand: ok, zondag na de hoogmis. Gelukkig maar.

Doorbladerend in onze agenda’s proberen we ook nog eens iets bijzonders te plannen: als we dan en dan op vakantie gaan, kunnen we op die dag dat bijzondere tripje doen. Daarom zijn we ook zo gefrustreerd door Corona: ons leven lijkt vlak, saai en eenvormig.
Het is een wrange tegenstelling: de mensen die eenzaam zijn, blij met elk telefoontje of praatje en degenen die zich in de maatschappelijke prestatiedruk door stress of burn-out worstelen. En iedereen vraagt zich af: raken we uitgeput door Corona? Waar zien we als een berg tegenop? We willen iets anders voelen dan wat we nu voelen. Waar zijn we naar op zoek? En als we op zoek gaan – wat komt er dan aan het licht?

De vastentijd die ons uitnodigt om te bezinnen, het vlakke land in te zaaien met meditaties, de stilte in ons bloed te horen ruisen, valt nu samen met die al veel langer durende coronatijd. Ons uithoudingsvermogen wordt al een jaar getest en de vastentijd daagt ons uit om daar nog een schepje bovenop te doen: hou vol! Vandaag, het tweede weekend van de Veertigdagentijd, gaan we in twee verhalen de berg op. We gaan met Abraham de berg op en met Jezus. Als we de berg opgaan stellen we ons open voor een nieuwe ervaring, of liever voor God. Komen we immers niet dichter bij de hemel als we de berg op gaan? Zal daar de mist niet optrekken? We bezinnen ons, jazeker en nu, vandaag, komen we op het spoor van bijzondere ontmoetingen, wordt het ons onthuld.

Het wordt ons onthuld en we zijn met stomheid geslagen. Want meteen als ik die berg van de eerste lezing over Abraham en Isaak opga, zou ik er het liefst direct weer vanaf hollen. Wat moet ik met die wrede God die Abraham zo gruwelijk op de proef stelt? ‘Ga met Isaac, uw enige zoon die gij liefhebt, naar het land van Moria en draag hem daar op de berg die ik u zal aanwijzen als brandoffer op’. Pervers, om dit te vragen. Natuurlijk, wij weten hoe het afloopt, maar Abraham nog niet. Wij weten dat het geen journalistiek verslag is maar geloofstaal. En Abraham? Hij verzamelt hout en bindt zijn zoon vast. Stoïcijns lijkt hij wel. Of is het iets anders? Is het vertrouwen? Vertrouwen; zelfs als hij op de meest afschuwelijke manier op de proef wordt gesteld, zoals wij mensen hier op aarde soms op de proef worden gesteld, blootgesteld aan hemeltergend onrecht; vertrouwen in God. Daar bovenop die berg sprak God tot Abraham, werd hoorbaar en sprak zijn belofte om er te zijn opnieuw uit.

We gaan nog een berg op en wat komt er aan het licht? ‘In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren.’ En dan gebeurt er iets bijzonders: tijd en ruimte lijken weg te vallen. Het doorbladeren van een agenda, van wat nog allemaal moet en zal, is een zinloze exercitie geworden. Soms ontmoet je iemand die plotseling zijn ware aard laat zien, ineens zie je hem of haar in een ander licht, het ware innerlijk van die mens wordt zichtbaar. Jezus staat daar, in dat stralende licht en hij heeft daar in dat tijdloze moment van de eeuwigheid op die berg, in die ene eeuwigdurende seconde, voor zijn drie vrienden gezelschap van de profeten Mozes en Elia die hem voorgingen. Dit is de traditie waarin hij staat. Waar haalden Mozes en Elia die kracht vandaan om te profeteren? Zij zijn zijn lichtende voorbeelden. Zij praten met Jezus lijkt het wel; om hem moed in te spreken? Niemand is verder op de berg, maar het wordt de drie apostelen duidelijk dat deze man, deze Jezus, waarlijk iets groots verrichten zal. Eerst zal hij door het lijden heengaan en dan zal hij opstaan uit de dood. Dit moment van helderheid wil Petrus vasthouden en hij stelt voor om drie tenten op te slaan, voor Jezus, Elia en Mozes. Want dat doen we toch het liefst: het vasthouden van die ene seconde van openbaring, dat alles ons duidelijk wordt? Dat gaat niet gebeuren: de tenten zijn niet nodig en Jezus vraagt hen, terwijl ze weer naar beneden lopen om het niemand te vertellen. Wat moesten ze ook vertellen? Petrus, Johannes en Jakobus hebben Jezus ware aard gezien, maar weten tegelijkertijd niet precies wat dat betekent. Ze houden het nog maar voor zich.

Ik houd het nog maar voor me. Ik blader door mijn agenda en zie dat de lege agenda die ik bij de aanvang van de Veertigdagentijd, na Aswoensdag, nog had, inmiddels weer gevuld is met vele afspraken. In het weekend, op zaterdag of zondag, tijdens de liturgie ga ik steeds weer de berg op. En daarna op zondagmiddag, als ik wandel in de natuur, ben ik blij dat de mensen die ik heb uitgedaagd de afspraak te zetten op ‘zondag na de hoogmis’, dat zij niet op die uitdaging zijn ingegaan. Op zondagmiddag ga ik weer langzaam terug naar het gewone leven en ik weet: ik hoef niet met mijn agenda te laten zien hoe druk ik wel niet ben. Een echte piekervaring laat zich niet plannen. Terwijl ik van de berg afdaal voel ik het warme licht van het visioen op mijn rug: ik weet niet waar ik heenga, maar Hij zal er zijn.

Amen

De Ontmoetingskerk   Meijhorst 7033  •  6537 EP  Nijmegen   024-344 14 46  ( secretariaat )