Lezingen: esaja 49:3,5-6; Johannes 1:29-34

Een groepje mensen staat te wachten op de bus. Twee jonge mensen zijn verdiept in hun telefoon en hebben hun ‘oortjes’ in. Je kunt de beat van hun muziek niet horen, maar het zachtjes meeknikken van het hoofd geeft een vermoeden. Een vrouw heeft haar zware boodschappentas op de grond gezet. Twee kleine kinderen hinkelen op de stoeptegels in afwachting van de bus. Er ligt een schaap in het bushokje. Of nee, alleen de kop van een lam is zichtbaar. De zijwand van het bushokje is bekleed met een enorme poster van een aankondiging van de tentoonstelling Velasquez-Rembrandt in het Rijksmuseum. Ik herken het schilderij van Francisco De Zurbaran, uit de 17e eeuw. 

Als ik enkele dagen later in het museum oog in oog sta met dit prachtige schilderij weet ik het verschil: in het bushokje was alleen de kop afgebeeld, hier zie ik het hele lam, weerloos liggend op de grond.

Ulamgods kent het schilderij misschien wel. Er is geen directe verwijzing naar Jezus, maar we kennen de werkelijke betekenis: dit is het Lam Gods. Het is niet het beeld van het Lam zoals we dat bij van Eijck zien, dat op een altaar staat, omgeven door heiligen. Het is alleen een Lam, de kop rust op de grond en de poten zijn bij elkaar gebonden. Wat is dit beeld krachtig. Voor ons geestesoog zien we dóór het Lam heen het beeld van een mens; welke mens? Of is het een beeld van God; onze God? De mensen in het bushokje hebben er slechts een zijdelingse blik op geworpen.

In het evangelie van vandaag zien we Johannes de Doper. De mensen rondom hem wachten om door hem ondergedompeld en gedoopt te worden. Gedoopt in niet zomaar een rivier, maar de Jordaan. De Jordaan was in het Oude Testament al een grensrivier die aanduidde: het land van de toekomst is vlakbij, maar het wordt nog niet betreden. Als Johannes Jezus ziet, spreekt hij de cryptische woorden: ‘Achter mij komt een man die vóór mij is, want hij was eerder dan ik.’ Hij lijkt hiermee te verwijzen naar bijvoorbeeld Jesaja, waar we in de eerste lezing van hoorden. In het Nieuwe Testament worden vaak de woorden van Jesaja aangehaald. Ze dienen als een messiaanse her-interpretatie. Kijk, toen is het al voorzegd: ‘... ik maak u nu ook tot een licht voor de heidenen, zodat mijn heil, tot de grenzen der aarde gaan.’
En Johannnes weet het ook zeker: want hij zag een duif neerdalen. Jezus wordt gedoopt met de Heilige Geest. Johannes heeft het zelf gezien: ‘Deze is de Zoon van God’.

Weet u het zeker? Heeft u ook een teken gekregen? Ik moet bekennen: ik weet het vaak helemaal niet zeker. En dan heb ik het niet over de twijfel die me bevangt voor het koelvak van de supermarkt: meer dan vijftig verschillende soorten toetjes, en nu? Of al die andere vormen van keuzestress die ons moderne leven binnensluipen. Ik bedoel die existentiële twijfel: wat geloof ik, hoe geloof ik, gelóóf ik? Ik geloof van wel. Ik denk dat ik net als u, regelmatig op zoek ben naar sporen van God. Ik zou het zo graag net zo zeker willen weten als Johannes die het eerste Agnus Deï uitsprak: ‘Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt’. En ik vermoed dat ik een wat minder loodzware variant op dit gebed ook wel eens zie gebeuren: het meedragen van de zorgen van een ander kan een last van de schouders halen. Sporen van God. Het zijn deze woorden die ons vrij maken, vrij om te handelen, vrij om onze medemens te zien, vrij om bewuste keuzes te maken. We hebben vaak helemaal geen invloed op wat ons overkomt in ons leven. Maar we hebben wel invloed op de manier waarop we hier mee omgaan. We kunnen keuzes maken. Maar hoe maken we die keuzes dan en hoe krijgen we rust in ons bestaan? Hoe vinden wij een spoor van God?
De Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector schreef in haar novelle Het uur van de ster: “Wanneer ik bad wist ik rust te scheppen in mijn ziel – en die rust is al wat ik ooit zal bezitten. Meer dan dat: niets. Maar het ledige heeft evenveel waarde en lijkt op het volle. Een manier om te krijgen is: niet zoeken, een manier om te bezitten is: niet vragen en slechts geloven dat de stilte die ik in mijzelf schep een antwoord vormt op mijn – op mijn mysterie.” Niet vragen, niet zoeken is van een complexe eenvoud. Als dat lukt, is het alsof een duif neerdaalt en een teken stelt.

De mensen in het bushokje hebben geen oog voor het Lam Gods. Misschien vonden de kinderen het wel een leuk schapen-koppie? Hoe dan ook, we zien het zelden, deze expliciete christelijke boodschap in een geseculariseerde samenleving. Jammer dat het niet zo bedoeld is. Ze zouden raar opkijken als ineens het Agnus Deï vanuit het bushokje zou klinken. In de verder rustige straat nadert nu de bus. De hinkelende kinderen struikelen plotseling over de boodschappentas en nemen ook de vrouw mee in hun val. En alles gebeurt tegelijkertijd: de bus remt af; de kinderen helpen de vrouw overeind, de jongeren doen hun oortjes uit en verzamelen de boodschappen die deels op de stoep en deels op straat terecht zijn gekomen. De vrouw heeft een lelijke schaafwond, maar echt boos lijkt ze niet, ze krijgt een papieren tissue tegen haar knie gedrukt. Even later stapt iedereen in de bus. Het is weer stil in de straat. In het bushokje blijft het Lam achter. Nog steeds zijn de gebonden poten niet zichtbaar. Maar net zoals in het museum, zie ik een sereen, bijna glimlachend Lam. Johannes had gelijk: Hij is het. Een spoor van God.

bushokje

.

De Ontmoetingskerk   Meijhorst 7033  •  6537 EP  Nijmegen   024-344 14 46  ( secretariaat )